Wereldoriëntatie vanuit Meervoudige intelligentie

Binnen de thema’s hanteren we drie belangrijke interventies:

Groepsgerichte leraarles

De leraar is er voor de samenhang, voor de intermenselijke relaties, voor de persoonlijk diepgang van ieder kind. En dit willen we vooral zo houden. We zetten ICT zoveel mogelijk in, maar zijn ons er terdege van bewust dat het de leraar nooit kan vervangen. Minimaal eenmaal per week geeft onze leraar zijn of haar themales. Dit kan door een verhaal te vertellen, een deskundige uit te nodigen, een excursie te doen, het digibord te gebruiken, noem maar op.

Keuzemomenten

Onze leerlingen hebben een aantal momenten per week de gelegenheid op hun eigen manier en vanuit hun eigen talenten (intelligenties) het thema verder te verkennen, onderzoeken en ervaren. Op onze school hebben we gekozen voor drie momenten per week, waarbij één keer expressie en techniek centraal staan, passend binnen het thema.

Rijke leeromgeving

Omdat we écht adaptief willen zijn, tegemoet willen komen aan de verschillen tussen kinderen, talenten willen benutten, kunnen wij niet volstaan met een leesboek, een werkboekje en een computerprogramma. Daarnaast integreren we ons middagprogramma steeds meer in ons ochtendprogramma, zonder dat daarbij de kwaliteit van ons onderwijs verloren gaat.

Kiezen en vooruitkijken

De leraar bespreekt aan het begin van het thema de kaarten in de klas. Op de overige dagen kijkt de leraar vooruit met de leerlingen. Tijdens het vooruitkijken stimuleert hij of zij de leerlingen na te denken over wat ze gaan doen die MI-middag. Is er nog iets af te maken? Hebben ze al het materiaal? Met wie gaan ze werken? De leerlingen kiezen een activiteit of gaan aan het werk met een reeds gekozen kaart. De leerlingen die een kaart kiezen hangen hun naam met een knijper aan de kaart die ze willen doen. Alle leerlingen zijn vrij te wisselen van opdracht, maar worden wel gestimuleerd eerst een kaart af te maken.

Werken in werkeilanden

De leerlingen werken in de aangewezen klassen en ruimtes. Wanneer een leerling hulp nodig heeft, vraagt hij of zij de medeleerlingen of gaat naar de leraar of ouder/stagiaire van die werkplek. De kinderen blijven op de werkplek tot het einde van de les of tot de leraar in het betreffende eiland hun opdracht goedkeurt. Leerlingen gaan zelf naar het goede lokaal/werkplek en gaan direct aan de slag. De leraar gaat met de leerlingen in gesprek om ze verder te helpen met het thema en/of een antwoord te vinden op een (thema)vraag. Het is belangrijk dat de leraar door middel van vragen en/of gesprek diepgang creëert. De leerling kan de opdracht zo binnen het thema plaatsen en moet soms verder onderzoek. Ouders en stagiaires begeleiden de leerlingen bij hun opdrachten. Zij helpen bij het materialen zoeken/pakken, het maken van werkstukken en andere voorkomende zaken. Op deze manier heeft de leraar ruimte in gesprek te gaan met de leerlingen over het thema.

Einde les/terugkijken

De leerlingen die klaar zijn met hun opdracht mogen het resultaat op de presentatietafel/-kast neerzetten. Ze kiezen de volgende keer een andere kaart. Bij het terugkijken krijgen de leerlingen de gelegenheid te vertellen over de werkles. Ze mogen werk presenteren, vertellen over het werken, een gevonden antwoord inbrengen, enz. De leraar kan bijvoorbeeld de antwoorden bespreken, het bord aanvullen en vragen stellen over het werken. En hij of zij kan een start maken met vooruitkijken op de volgende werkles. Tijdens deze momenten wordt gebruik gemaakt van ‘leren presteren’. De actuele kaarten hangen bij de themamuur of bij de vragen.